1-2-2019

Vandaag zouden we na de eigen reis en het stil liggen in Portobelo en Bocas del Toro eindelijk weer vertrekken. Voor mij had dit nu wel lang genoeg geduurd, want als ik de keuze zou hebben zou ik veel liever op zee zijn. Vandaag had wachtgroep 1 weer wacht dus dat betekende dat wij het schip klaar mochten maken om af te varen. Het afval moest van boord, de bijboot moest aan boord en opgeruimd worden, de netten moesten worden opgehangen, de zwemtrap moest weer op het werkhok komen te liggen en de zeilen moesten klaargemaakt worden. Als alles gedaan was zouden we ankerop gaan om tussen de eilanden rond Bocas door te motoren en verderop zeil te zetten richting Cuba. Terwijl we bezig waren kwam Sam naar me toe met de mededeling dat de vlieger (een zeil voorop het schip dat tot helemaal bovenin de mast wordt gehesen) opgeruimd moest worden. Dit zeil is relatief makkelijk op te ruimen, omdat het maar met drie punten aan de stag vast zit. Na een tijdje hadden we het zeiltje netjes opgevouwen in een zak bovenop het werkhok gelegd en waren de anderen klaar met de rest van de voorbereidingen. Omdat ik toch douchedag had bood ik me vrijwillig aan om de ankerketting te stouwen. Hierbij moet je in het hok voorin het schip de ketting zo neerleggen dat hij de volgende keer weer gelijk gebruikt kan worden. Ik dacht dat ik nog best schoon was gebleven en dat het allemaal wel meeviel als je de verhalen hoort over wat een rotklusje het is. Wel, nadat het anker goed en wel boven was en ik weer aan dek kwam, zeiden de mensen om me heen dat ik het vieste was van iedereen die wel eens gestouwd had. Typisch iets voor mij: helemaal onder de modder zitten en het niet eens door hebben. Gelukkig waren we weer onderweg en daar word ik altijd blij van, of ik nou onder de modder zit of niet.

Sjors