Na twee dagen heerlijke wacht, was de plotselinge omschakeling naar de schooldagen best pijnlijk. Gedaan met mooie zonsopkomsten en -ondergangen zien, liefde steken in het maken van vers brood en zomaar kunnen gaan slapen, gewoon wanneer we dat zelf wilden.

Voor ik het wist zat ik aan een tafel, met mijn wiskundeboek voor mij, klaar (?) om te beginnen aan een acht uur durende schooldag. Bij het opkijken van mijn boeken kreeg ik blikken vol medeleven van andere SaS’ers die hetzelfde lot deelden. Het vooruitzicht zag er niet goed uit. Toch begon ik, vol goede moed, te studeren. Na een aantal productieve uren, was mijn concentratie echter al snel ver te zoeken. Mijn mentor spoorde me aan en hielp me met het verwerken van de leerstof, maar tevergeefs. Ik had geen motivatie meer om te studeren. Een keuze had ik echter niet. Ik zou nog tot 18:00 uur achter mijn boeken moeten blijven zitten.

Maar na de lunch kwam slecht nieuws. Er waren luizen aan boord! Iedereen moest asap (zo snel mogelijk) gecontroleerd worden, het haar van de meisjes diende niet meer los te hangen en één van de docenten besloot zelfs een broske te doen (voor de Nederlanders: hij scheerde zijn hoofd kaal). Van lichtelijke chaos gesproken: aan de andere kant vond ik de situatie helemaal niet zo erg. Ik had de kans mijn boeken even aan de kant te schuiven terwijl op het middendek de luizenmoeders druk bezig waren. Profiteren van de situatie, noemen ze dat.

Noor